Rol hormonen bij vetverbranding en vetopslag

Enkele hormonen waar je rekening mee moet houden zijn:

Insuline
Je lichaam heeft energie ( glucose) nodig anders gaan we dood. Deze energie wordt uit ons eten gehaald. Door het hormoon insuline wordt de energie naar de cellen getransporteerd. Dit kunnen je spiercellen zijn maar ook cellen in je hersenen zodat je helder kunt denken. Als er een overschot aan suikers dan slaat het lichaam dit op in de voorraadkamer voor slechtere tijden: je vetcellen.

Cortisol
Bij stress wordt o.a het hormoon Cortisol aangemaakt. Cortisol geeft vet en suiker af aan de bloedstroom zodat we meer energie hebben om in geval van nood af te rekenen met stressfactoren.
Cortisol kan ook je cellen het signaal geven zoveel mogelijk vet op te slaan en het lichaam belemmeren om vet te verbranden als energie.

Ghreline & leptine
Wanneer we trek krijgen in eten, komt er het hormoon ghreline vrij.
Via de hypothalamus in je hersenen komt dit hormoon vrij in de bloedbaan.
Dit wordt vooral afgescheiden via de maagwand en het stimuleert je om voedsel tot je te nemen.
Ghreline bepaalt niet hoeveel je eet, maar wel wanneer je zin krijgt in eten.
Zodra we klaar zijn met eten, remt de productie van ghreline en komt er het hormoon leptine vrij.
Leptine wordt in het vetweefsel geproduceerd en geeft een seintje naar de hersenen dat we genoeg hebben gegeten en je krijgt een gevoel dat je verzadigd bent

Oestrogeen
De belangrijkste functies van oestrogenen zijn enerzijds de eisprong te veroorzaken en anderzijds het baarmoederslijmvlies voor te bereiden op innesteling van een bevruchte eicel.

Ontstaan van een verhoogde productie heeft 2 oorzaken

1. grotere vraag in de aanloop naar een eisprong

2. onze voeding en onze omgeving – chemische bestrijdingsmiddelen, plastic, vlees, sojaproducten, stress, alcoholconsumptie, gebrek aan lichaamsbeweging, slaaptekort, de pil en overgewicht.

Overgewicht zorgt voor een vicieuze cirkel.
Vetcellen produceren oestrogeen en oestrogeen zorgt voor vetopslag.
Deze vetopslag bevindt zich bij vrouwen vooral rond de buik, billen en bovenbenen.